Matheus

Ik kan mijn kaartje met de toegangscode van mijn hotelkamer nergens vinden. Nog een keer in mijn tas. Op het tafeltje. Naast het bed. Niets.

Uiteindelijk besluit ik maar zonder kaartje te vertrekken. Bij terugkomst vraag ik het wel aan de receptie. Mijn Uberchauffeur staat ondertussen al te wachten. In de app verschijnen een paar keer vraagtekens. Waar blijf ik? Ik haast me naar beneden en stap in een witte Renault.

Mijn chauffeur heet Matheus. Mijn Portugees is beperkt, dus mijn vertaler gaat aan. En zo beginnen we te praten. Matheus vraagt waar ik vandaan kom.

“Holland”, zeg ik. Hij begrijpt me niet. “Holland.” Nog steeds niets.

Dan valt mijn oog op een voetbalvaantje bij zijn voorruit. Ik moet denken aan mijn vorige chauffeur, die Johan Cruijff kende. Ik probeer het anders.

“Johan Cruijff?”

Nee. Geen herkenning.

Dan ineens: “Ah, Hollanda!”

“Ja. Hollanda.”

Hij vertelt zelf dat hij Arjen Robben wel kent. Op basis van deze volstrekt onwetenschappelijke voetbaltest besluit ik dat Matheus ergens in de twintig moet zijn.

Ik vertel hem dat ik in Nederland woon, maar in Suriname werk. Dat ik vanuit Paramaribo een paar dagen naar Belém ben gekomen. De rechtstreekse vlucht was voor mij eigenlijk doorslaggevend.

Hij vraagt of Nederland een euro- of een dollarland is. Euro, vertel ik hem. Hij vertelt iets over een vriendin die euro’s heeft en daarna nog iets over geld. Wat hij precies bedoelt, begrijp ik niet helemaal. Of liever gezegd: misschien wíl ik het niet helemaal begrijpen.

Er schiet iets door mijn hoofd. Jonge knul. Wel erg geïnteresseerd in geld. En vrijwel meteen daarna betrap ik mezelf. Is dat niet gewoon een vooroordeel? Hij stelt een vraag over euro’s. Meer niet. Waarom maak ik daar in mijn hoofd meteen een verhaal van? Blijkbaar heeft een vooroordeel maar een paar seconden nodig. We rijden verder door Belém.

Mattheus vertelt over de stad. Voor COP30 is er volgens hem flink opgeknapt, maar nu ziet hij alweer plekken die zichtbaar achteruitgaan. COP30, de dertigste VN-klimaatconferentie, vond in november 2025 plaats in Belém. De stad moest zich toen van haar beste kant laten zien. Even later wijst hij naar een gebouw op een hoek.

“Meer dan een miljoen waard,” vertelt hij. “Van de gouverneur van Belém.”

Ik vraag of het dan een overheidsgebouw is of privébezit.

“Geen van beide,” antwoordt hij.

Geen van beide? Ik weet niet of er iets verloren gaat in de vertaling, of Mattheus niet precies weet hoe het zit, of dat ik hem gewoon niet goed begrijp. Ik besluit er niet verder op in te gaan. En dan komt dé vraag. De Zuid-Amerikaanse vraag, denk ik. 😉

“Bent u hier alleen? Is uw man ook hier? Of heeft u geen man?”

Ik vertel hem dat ik een man heb en dat hij ook in Belém is. “Hij is in het hotel.”

Dat laatste verzin ik ter plekke. Waarom? Geen idee. Misschien omdat het een gemakkelijk antwoord is. Misschien omdat ik geen zin heb in vervolgvragen. En eigenlijk is dat best grappig.

Ik zit Mattheus tijdens deze rit te observeren en probeer betekenis te geven aan wat hij zegt. Ondertussen geef ik hem zelf informatie waarmee hij mij probeert te begrijpen en die informatie klopt niet eens helemaal. Zijn vraag blijft wel bij me hangen. Zou een Uberchauffeur in Nederland mij vragen of ik een man heb? Ik denk het niet. En een chauffeur in Suriname? Daar zou de vraag me waarschijnlijk veel minder verbazen. Waarom eigenlijk?

Is het nieuwsgierigheid? Bemoeizucht? Een andere manier van contact maken? Of is het vooral mijn eigen culturele meetlat waarmee ik bepaal welke vragen wel en niet normaal zijn? Even later komen we aan. Matheus zet me af bij het cultureel evenement. Er is muziek en er staan kraampjes met zelfgemaakte producten, vintage kleding en sieraden. Op deze markt zijn het de vrouwen die de toon zetten.

Ik loop langs de kraampjes en kijk wat rond. En dan zie ik bij een van de vrouwen een tas. Amsterdamse grachtenpanden. En daaronder, in grote letters: HOLLAND. Ik moet lachen. Daar is ze weer. Hollanda.

Nog geen twintig minuten geleden begreep Matheus niet wat ik bedoelde toen ik “Holland” zei. Johan Cruijff hielp niet, maar uiteindelijk kwamen we toch bij Hollanda uit. En nu sta ik hier, op een vrouwenmarkt in Belém, naast een Braziliaanse vrouw met een tas waarop precies dat woord staat. Natuurlijk moet daar een foto van worden gemaakt.

Wonen in Nederland, werken in Suriname en voor een paar dagen in Brazilië. Soms komen die werelden op de meest onverwachte plekken even bij elkaar. Terwijl ik verder loop, denk ik nog even aan Matheus. Hij wilde weten waar ik vandaan kwam, met welk geld we in Nederland betalen en of ik een man had.

Ik wilde weten hoe oud hij ongeveer was, waarom hij zo geïnteresseerd leek in geld, of zijn verhaal over de gouverneur wel klopte en waarom hij wilde weten of ik een man had. We waren eigenlijk allebei bezig de ander een beetje te plaatsen. Misschien doen we dat voortdurend.

We kijken naar iemand, horen een paar zinnen en vullen wat we niet weten zelf in. Ik dacht dat ik tijdens die Uberrit vooral Matheus aan het observeren was. Misschien was Matheus gewoon Matheus. En kwam ik onderweg vooral mezelf een paar keer tegen.

Plaats een reactie